Bij persoon-aan-persoonverkoop verkoopt een producent zijn zelfgeproduceerde hernieuwbare energie rechtstreeks aan een andere partij, op basis van onderlinge afspraken. Dit is de op een na grootste vorm van energiedelen in Vlaanderen. Het aantal initiatieven stijgt sterk in de beginfase, van 360 in 2022 naar 1.236 in 2023, maar stabiliseert daarna: 1.212 groepen in 2024 en 1.349 in 2025 (tot eind september). Het aantal deelnemers schommelt in die periode rond 2.500 en groeit nauwelijks verder.
Gryffroy zoekt de verklaring daarvoor bij de contractuele complexiteit en de administratieve kost die met dit model gepaard gaan: “Zodra energiedelen of -verkoop verzandt in contracten, uitzonderingen en ingewikkelde berekeningen, haken mensen af. Dan wordt de drempel hoger dan de meerwaarde.”
De cijfers tonen dat vooral de meer collectieve vormen van energiedelen moeilijk doorbreken. Energiedelen in een gebouw houdt in dat bewoners of gebruikers van eenzelfde appartements- of multifunctioneel gebouw samen investeren in lokale energieproductie en die energie onderling verdelen. In 2025 gaat het om minder dan 200 gebouwen met samen ongeveer 600 locaties. Wanneer men dat afzet tegenover de bijna 150.000 appartementsgebouwen in Vlaanderen is dat statistisch verwaarloosbaar — het gaat om ruim minder dan één tiende van één procent van het potentieel. Dat wijst niet op een gebrek aan ambitie, maar op structurele drempels zoals complexe besluitvorming binnen VME’s, onduidelijke verantwoordelijkheden en een gebrek aan standaardisering.
“Er is nood aan vereenvoudiging, standaardisering en gerichte begeleiding, zeker voor VME’s en energiegemeenschappen. Alleen zo kan energiedelen uitgroeien van een niche voor pioniers tot een breed toepasbare oplossing die werkt in de praktijk”, concludeert Gryffroy.